Hoofdstuk “Zoals elke morgen bleek ze weer onmisbaar. ”

Wakker

Met een klap waarin haar frustratie over vele slapeloze uren besloten lag, maakte Leonoor een eind aan het bestaan van haar Hema-wekker.

‘Rot toch op,’ zei ze nijdig. Bedgenoot Erik draaide zich tevreden pruttelend nog een keer om. Misselijk van vermoeidheid liep ze naar de badkamer, om voor de zoveelste keer sinds drie uur vannacht haar blaas te legen. Ze kon haar sluitspieren nauwelijks nog in bedwang houden en plofte neer op de wc. Pas toen haar billen warm en vochtig werden en haar plas over de tegelvloer stroomde, realiseerde Leonoor zich dat ze de keer hiervoor het deksel had dichtgeklapt om het geluid van het doortrekken te dempen. Afknijpen lukte niet en gelaten bleef ze een tijdje middenin de nattigheid zitten. Daarna maakte ze zich schoon en trok ze ander ondergoed en een badjas aan. Straks maar douchen. Nu snel voor het ontbijt en lunchpakketjes zorgen, want over een half uur moesten Bibi en Erik de deur uit zijn. Ze brulde hen wakker.

Zoals elke morgen bleek ze weer onmisbaar.
‘Mam, mijn achterband is bijna leeg, wil jij hem gauw oppompen?’
‘Schat, help me alsjeblieft even met het strikken van mijn stropdas, ik krijg wat van dat ding.’
‘O jee mam, mijn sportshirt moet nog gestreken worden.’ En bijna in koor:
‘Shit, nee hè, waar is die rottelefoon gebleven?’ Alsof mobieltjes zo werden genoemd omdat ze zich op eigen kracht konden verplaatsen. Terwijl haar huisgenoten al bij de deur stonden belde Leonoor hun 06-nummers, met het gewenste resultaat. De boxer rende achter hen aan naar buiten en maakte van de gelegenheid gebruik om een lange plas tegen een wiel van Peggy’s cabrio te doen. Op haar sloffen en onderwijl schichtig om zich heen kijkend, trok Leonoor Sloeber aan zijn nekvel naar binnen.

In de badkamer kwam ze eindelijk aan zichzelf toe. Ze besloot nog één keer haar haren met gewone shampoo te wassen en er later deze week weer eens een kleurtje in te doen. Vol afgrijzen keek ze naar de grijze randen boven haar voorhoofd en langs de slapen.

‘Rouwranden omlijsten mijn gezicht,’ zei ze tegen haar spiegelbeeld. Maar een poëtische tekst kon de harde realiteit niet verzachten. En ’s ochtends al helemaal niet, als de alcohol nog minstens acht uur in de kast moest blijven.