Hoofdstuk “Wie ben ik, en waarom leef ik? ”

Rode oortjes

Soms voelde Leonoor al direct als ze opstond dat het niet haar dag zou worden. Zonder een duidelijke verklaring bleef het dekbed waar ze ’s ochtends onder vandaan kroop, daarna gevoelsmatig over haar heen liggen. Van top tot teen. Wie ben ik, en waarom leef ik? vroeg ze zich af. Ze kon het aan niemand uitleggen, waardoor ze zich weer onbegrepen voelde. Maar haar vriendin Elles meende wel te weten waar die negativiteit vandaan kwam. ‘Dat hoort bij de overgang schat,’ zei ze tijdens een lang telefoongesprek. ‘Dan heb je van die dagen dat je alleen maar loopt te somberen. Net als tijdens that time of the month, maar dan zonder dat als excuus. Verwen jezelf eens ergens mee. Ga naar de kapper of lekker shoppen bij Christine le Duc. Ook leuk voor Erik. Misschien vind je een opwindend Sinterklaascadeautje.’

Voordat Leonoor kon reageren, ratelde Elles alweer door: ‘Ik lig Robert in bed tegenwoordig Vijftig tinten donkerder voor te lezen. We krijgen er maar geen genoeg van.’ Leonoor wilde niet weten waar ze geen genoeg van kregen. Wat Erik betreft had ze er weinig fiducie in. Zodra hij zijn hoofd op het kussen legde, begon hij te snurken. Daarom las ze Vijftig tinten grijs niet meer in bed. Dan sliep ze niet van de opgekropte frustraties. ‘Ik moet stoppen,’ zei ze tegen Elles. ‘Ik krijg rooie oortjes, maar dan van de telefoon. Er wordt nu op de vaste lijn gebeld. Dat kan alleen maar mijn moeder zijn.’

Leonoor verwachtte het zeurderige stemgeluid van haar moeder en schrok van de enthousiaste jongemannenstem. Die zei: ‘Ik ben Joeri van Nabestaandenzorg. Spreek ik met meneer of mevrouw L. van Maren?’ Wat een rare vraag, dacht Leonoor, hij kan toch horen dat ik een vrouw ben? ‘Inderdaad,’ antwoordde ze. ‘Dat is mooi,’ klonk het tevreden. ‘U hebt bij ons een nabestaandenpolis en weet u wat die waard is?’ ‘Vertel het maar,’ zei Leonoor. Haar ouders hadden haar in haar studententijd deze begrafenisverzekering aangepraat, vermoedelijk omdat ze niet voor de gevolgen van haar losbandige leven wilden opdraaien. Nog steeds werd er automatisch elke maand zeven euro van haar rekening afgeschreven. ‘Wij keren na uw overlijden slechts elfhonderd euro uit,’ sprak Joeri op plechtige toon. ‘En bent u op de hoogte van de hedendaagse prijzen van een begrafenis of crematie?’

Leonoor had een paar jaar geleden de crematie van haar opa geregeld en ze wist nog heel goed wat die kostte. ‘Daar heb ik weleens mee te maken gehad ja.’ ‘O, gecondoleerd,’ riep de verzekeringsjongen spontaan. ‘Ik kijk naar uw geboortejaar en wil u toch adviseren om de polis snel te verhogen. Wat denkt u zelf?’

Mijn god, dacht Leonoor. Hoe lang denkt die jongen dat ik nog heb? Ze zag zelf opeens ook haar begrafenis met rasse schreden naderbij komen. Zie je wel dat ze een oud en overbodig mens aan het worden was? ‘Eigenlijk is het heel slim als u vandáág uw premie verhoogt. Want stel…’ Hij wachtte even om de spanning op te voeren. ‘Stel… u valt morgen dood neer. Dan kunt u een uitvaart krijgen met alles erop en eraan, terwijl u daar amper meer premie voor hebt betaald.’ Joeri juichte bijna. Het was een onweerstaanbaar aanbod, maar Leonoor sloeg het toch af. ‘Mag ik u in de toekomst nog eens bellen?’ vroeg hij ter afsluiting. Het woord toekomst klonk Leonoor als muziek in de oren.