Hoofdstuk “Het is gedaan met die ouwe sopraan”

Ziekenbezoek

‘Ik háát ziekenhuizen,’ zei Peggy uit de grond van haar hart. Ze liep met Leonoor en Estelle te zoeken naar de kamer waar haar vader behoorde te liggen. ‘Dat is raar,’ vond Leonoor. ‘Wij zijn er dol op.’ Met een grijns keek ze naar Estelle, die niet wist wat ze ermee aan moest. ‘Nou… ik ook niet zo hoor,’  reageerde ze. ‘Nee natuurlijk niet sufferd,’ zei Leonoor iets te fel. ‘Dat bedoel ik juist. Niemand gaat voor zijn lol naar een ziekenhuis. Op kraambezoek misschien, maar verder toch echt niet.’

Aarzelend duwde Peggy een dikke, groene deur die op een kier stond, wat meer open. In een van de vier bedden op de ziekenkamer lag haar vader. Ze durfde niet verder te gaan dan de deuropening, maar werd door Leonoor met zachte dwang naar binnen geloodst. Peggy’s vader had zijn ogen dicht, maar deed ze open toen Estelle enthousiast ‘goedemiddag’ tegen zijn kamergenoten riep. ‘Hoe gaat het nu?’ vroeg Peggy. Ze was bij het voeteneind van het bed blijven staan. ‘Het is gedaan met die ouwe sopraan,’ kermde haar pa. ‘O god,’ riep Estelle uit. ‘Dan kunnen we jullie beter alleen laten.’ Ze wilde zich onmiddellijk uit de voeten maken maar Leonoor  greep haar bij een mouw en hield haar vast. IJzig staarde Peggy naar de monitor boven het bed, waar alarmerende geluiden uit kwamen. Het duurde niet lang of een mannelijke verpleegkundige arriveerde. Peggy verwachtte dat hij haar vader voor de poort van de hemel zou wegslepen, maar het enige dat hij deed was hen boos aankijken: ‘Niet meer dan twee bezoekers tegelijk  bij een patiënt. Dat staat duidelijk staat op de deur van de afdeling,’ zei hij snibbig. Jullie zijn met een te veel.’ Alsof ze niet konden rekenen.

‘Zooo Leo, zal ik je kussen even lekker opschudden? Nu kan het nog,’ teemde de verpleger. Ten einde raad Peggy greep zich vast een het voeteneindbord. Haar vader zou het niet gaan halen en zij en Leonoor zouden daar getuige van zijn. Wat moest ze doen? Haar moeder bellen? Haar broer uit Australië over laten komen was zinloos. Die kwam natuurlijk te laat. Troostend sloeg Leonoor een arm om haar heen.  ‘De cardioloog is vanochtend langs geweest,’  vervolgde de  verpleger. ‘Heb je het al verteld, Leo?’ Waarom zo amicaal, dacht Peggy. ‘Nee, mijn vader heeft nog amper iets gezegd. Behalve dan dat het slecht met hem gaat.’ ‘Dat valt enórm mee,’ jubelde de verpleger.  ‘Het was maar een klein infarct, eigenlijk meer een waarschuwing. Iets teveel stress. Morgenochtend wordt hij al ontslagen. Komen jullie hem dan halen? Want hij mag de eerste tijd natuurlijk niet alleen zijn.’

De schrik sloeg Peggy om het hart. ‘Maar hij kan niet bij mij logeren,’ zei ze. ‘Ik heb een drukke baan.’ ‘En je bent ook niet bepaald het verzorgende type,’ viel Leonoor haar bij. ‘Kan hij niet terug naar je moeder?’ Ze waren over de patiënt aan het praten alsof hij er niet bij was. Maar nu liet hij van zich horen. ‘Geen denken aan,’  zei hij. Peggy dacht terug aan het moment dat ze haar moeder over pa’s hartaanval had gebeld. ‘Ik wist niet eens dat hij nog een hart hád,’ was haar moeders reactie geweest. Dus dat was ook geen optie. ‘Ach joh,’ zei Peggy’s vader. ‘Ik blijf niet zo lang. En er zijn genoeg helpende handen bij jou in de buurt. Met al die leuke buurvrouwen.’ Estelle, die de hele tijd vlak achter de deur had gestaan zodat ze niets van het gesprek hoefde te missen, raakte plots uit haar evenwicht. Ze zwaaide met deur en al de ziekenzaal binnen. ‘Mijn man is een buitenlander,’ zei ze hijgend. ‘Die vermoordt me als ik iets voor andere mannen doe.’